Poëziek
| Willem Kloos | Carin Kluns |
| Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten, En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon Over mij zelf en 't al, naar rijksgeboôn Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten. En als een heir van donkerwilde machten Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn Voor 't heffen van mijn hand en heldere kroon: Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten. - - En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond Úw overdierb're leên den arm te slaan, En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed En trots en kalme glorie te vergaan Op úwe lippen in een wilden vloed Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond. | Ik ben een kluns in 't diepst van mijn gedachten, En spreid hier meestens flauwe kul ten toon Over mijzelf en niks biezonders, doodgewoon van dittem, dattum en door griep gevelde krachten. Soms moet ik loggen; zit ik vol gedachten Dan valt 't me aan en wil ik het toch kwijt, soms weet ik niks, geeft Nedstat geen respijt Ach ik ben een kluns in 't diepst van mijn gedachten. - - En tóch, zo stom als ik hier kan miepen Úw onverdeelde aandacht begeer ik o zo graag En, luid uitroepende, met alle moed En trots waag ik het hier, welaan, Van úwe lippen in een wilden vloed wil ik vernemen hoe u mijn woorden vond. |

carin (
op: 17 November 2003 om 21:34
Willem Kloos – Carin Kluns 1-3